|  Nederlands |  English |
 
 

ACHTERGROND


Biologisch verval van cultureel erfgoed

Ons cultureel erfgoed is opgebouwd uit een hele waaier aan natuurlijke materialen die gebruikt werden om uiteenlopende artefacten te bouwen, van enkelvoudige componenten tot structuren, waarin zowel anorganische als organische materialen verwerkt zijn.

Alle objecten behorend tot ons cultureel erfgoed, met inbegrip van die uit duurzamere materialen (bijvoorbeeld zandsteen, graniet, pleisterkalk, bakstenen, etc.) ondergaan milieu-invloeden die hun structuur en samenstelling kunnen wijzigen. Bovendien onderwerpt de “biosfeer” die constructies aan biologisch verval. Dat proces van biotransformatie of biobeschadiging vindt overal ter wereld plaats maar is sterker en destructiever in een warm en vochtig klimaat, zoals in India, waar de milieuomstandigheden de groei van de meeste organismen ten goede komen.

Er is een algemene consensus onder conservatoren en conservatiewetenschappers dat de verandering van stenen monumenten onder invloed van levende organismen doorgaans een indicator is van een gevorderde staat van verval. Biobeschadiging van steen is een complex probleem met veel facetten, zodat voor een goede kennis en behandeling ervan samenwerking onder wetenschappers van uiteenlopende disciplines vereist is.

Het werk van ASI en Janssen Pharmaceutica tussen 2005 en 2008

De twee sites waarop de eerste fase van deze samenwerking gericht was bevinden zich allebei in Karnataka. Het zijn het paleis van Sultan Tipu in Srirangapatna en het Hampi-complex dat op de werelderfgoedlijst staat.

In het eerste stadium gaf ASI informatie door aan Janssen Preservatie en Materiaalbescherming (Preservation and Material Protection, afgekort PMP) over eerdere behandelingen die op de sites gebruikt werden, om de gevolgen van biobeschadiging tegen te gaan. Op basis van die informatie was Janssen PMP in staat om culturen te starten van microbiologische monsters van beide sites. Die hebben het mogelijk gemaakt de specifieke aanwezige schimmels te identificeren. Op beide plaatsen werden acht species aangetroffen.

Op dat werk volgde een bezoek door Janssen PMP om verdere biodeteriogenen op te sporen, waaronder ongewenste onkruiden en een door Tolypothrix gedomineerde zwarte biofilm.

Door laboratoriumonderzoek is Janssen PMP erin geslaagd de gevoeligheid van de relevante schimmels te bepalen voor vier specifieke en geavanceerde organische fungiciden. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de levering van drie schimmelwerende formules die ASI ter plaatse kon uittesten.

Het onderzoekswerk werd vervolgd met een bezoek van Belgische experts van het «Raimond Lemaire International Centre for Conservation» van de Faculteit Ingenieurswetenschappen van de KULeuven en Monumentenwacht Vlaanderen vzw. Het bezoek focuste op het identificeren van de structurele, documentatie- en preventieve behoeften en risico’s op de Hampi-site.
Bovendien werd in Chennai, op 18 en 19 september 2008, door ASI en Janssen Pharmaceutica een gemeenschappelijke workshop georganiseerd rond Biodeterioratie, behoud en bewaring van monumenten.

 
 

 

s
 
© Janssen Pharmaceutica N.V., 1997-2010.

Deze site wordt onderhouden door Janssen Pharmaceutica NV en is bedoeld voor Europese gebruikers. Het gebruik van deze site houdt in dat u instemt met de toepassing van de Europese wet- en regelgeving en met ons Privacybeleid. Het gebruik van de informatie op deze site is onderworpen aan de bepalingen van onze Legal Notice.